1e plaats van de schrijfwedstrijd
Van Rune
Het verhaal „Bound by Souls” van Rune heeft de 1e plaats gewonnen in de schrijfwedstrijd rond de thema’s Dark Romance en Romantasy. Van harte gefeliciteerd! We zijn verheugd het verhaal eindelijk met de community te kunnen delen!
Triggerwaarschuwing: In dit verhaal wordt een verkeersongeval beschreven en worden de thema’s sterven en dood behandeld. Als deze onderwerpen niets voor jou zijn, lees dan liever een ander erotisch verhaal.
Proloog
Wanneer je oog in oog stond met de dood, waren er niet veel uitwegen. Hij was geen jager. Dat hoefde hij ook niet te zijn. Want uiteindelijk pakte hij ons allemaal – of je nu rijk of arm was, van adel of van het gewone volk. Ons einde was onvermijdelijk.
Wat hem en mij betrof, hadden wij een lange geschiedenis. In elke reïncarnatie van mij kruisten onze wegen elkaar op de een of andere manier. Het was een straf – of misschien was ik het op een bepaald moment als zodanig gaan beschouwen. Voor wat wij hadden gedaan. Voor de beslissingen die hij had genomen. Ik haatte het om me op een bepaald moment in mijn leven alles weer te moeten herinneren, maar er was nooit een weg omheen. Ook deze keer niet.
Hoofdstuk 1
Ik wist niet hoe ik in deze situatie terecht was gekomen. Overal zag ik knipperende lichten, hoorde ik schelle sirenes die in mijn oren galmden, en mensen die elkaar wanhopig toeschreeuwden. Pijn verdoofde mijn lichaam en dreef onophoudelijk tranen in mijn ogen. Ik kon me niet bewegen. Kon nauwelijks ademhalen. De hulpdiensten praatten op mij in.
Een spookrijder op de snelweg had mij geraakt. Mijn wagen was meerdere keren over de kop geslagen en nu zat ik erin bekneld. Mijn lichaam was waarschijnlijk doorboord door een afgebroken stalen deel van een vangrail dat door mijn voorruit was gegaan. Iemand drukte op mijn buik om de bloeding zo goed mogelijk te stelpen. Maar er was nauwelijks genoeg ruimte voor de ambulancemedewerker om mijn wond te verzorgen zoals zij wilde.
“Hou vol”, zei haar vriendelijke stem. “De brandweer is er zo.”
Ja. Dat zal wel. Maar tegen die tijd zal het te laat zijn.
Aan de rand van mijn blikveld begon duisternis te dansen en trok me gestaag naar zich toe als een zwart gat dat alles wilde verslinden. Mijn hartslag in mijn borst was bovengemiddeld luid en ik vroeg me af of hij als donder in mijn oren moest dreunen.
Ik wilde mijn ogen sluiten, wilde niets anders dan slapen en verlangde naar stilte. Mijn slapen bonsden, het lawaai was ondraaglijk en de pijn van mijn verwondingen deed de rest.
“Hé. Blijf wakker!” zei de ambulancemedewerker. Ze schreeuwde nog iets, maar ik wist: het was te laat.
Ik wist altijd wanneer ik zou sterven. Want telkens zag ik hem. Markante, aantrekkelijke gelaatstrekken. Zwarte, elegante kleding. Asgrijs haar. Een verzorgde volle baard, waarvan de snor zich aan de uiteinden lichtjes krulde, en ogen die me een bos in trokken dat door lente en herfst gekust werd.
“Je moet loslaten”, zei hij vastberaden. Hij bekeek de scène van een afstand en kwam slechts langzaam dichterbij. “Stop met vechten. Je weet dat het onvermijdelijk is. Het is altijd onvermijdelijk.”
Dat was het. Ook deze keer, zelfs al wilde ik het niet. Maar tegen de finaliteit in goddelijke gedaante kon men niet vechten. Van de dood kon je niet winnen, hoe hard je het ook probeerde.
Ik sloot mijn ogen. Sloot het geschreeuw en de sirenes om mij heen buiten. Sloot de pijn uit die me van binnenuit verscheurde. Zijn aanwezigheid was niet koud, maar warm. Dat is iets wat velen aan hem verkeerd begrepen. Zo warm als de eerste zomerdag direct na de lente. Zo uitnodigend als een warm vuur terwijl buiten voor de ramen een meedogenloze winterstorm woedde.
Hij was oneindig. Eeuwigdurend voor de meesten. En sommige zielen kruisten hem meerdere keren. Tot ze hun les leerden en in de cyclus verder mochten gaan.
Wat hem en mij betrof, wij waren aan elkaar gebonden. Vervloekt om onze eed van reïncarnatie tot reïncarnatie opnieuw te ontsteken. Ik haatte het. Maar ik hield er ook van. De dood was een drug voor mij waarvan ik niet clean kon worden, hoezeer we ook probeerden uit elkaars buurt te blijven.
In sommige reïncarnatiecycli was het mij toegestaan oud te worden, een familie te hebben, maar uiteindelijk stond ik weer tegenover hem. Uiteindelijk waren het weer zijn lippen, zijn kus, die mijn ziel uit mijn lichaam zoog en haar bij de hand nam.
Wat velen niet wisten over de dood zelf, genaamd Venor – of zoals ik hem had leren kennen, Edward – was: hij was evenzeer vrijwillig de dood als ik een vervloekte ziel was. Veroordeeld om aan hem gebonden te zijn, hem te begeren en nooit in de cyclus verder te mogen gaan.
Maar zo was het nu eenmaal. Het lot dat wij hadden getrokken. We zouden nooit van elkaar loskomen. Ook deze keer niet.
Opnieuw liet ik hem mij halen en viel steun zoekend tegen hem aan, alsof alleen hij mij voor verdrinking kon behoeden. Ik vocht niet meer, want het was zinloos.
Hoofdstuk 2
Ik bevond me in Venors huis in de onderwereld. Ver weg van de andere zielen moest ik hier mijn tijd uitzitten, totdat ik opnieuw de cyclus van reïncarnatie mocht betreden. Op een bepaald moment was ik gestopt met tellen hoe vaak ik al was wedergeboren en hoeveel levens ik al achter me had gelaten. Je kon werkelijk levensmoe worden. Alleen kon ik me, nadat ik opnieuw geboren werd, nooit herinneren hoe beu ik het al was. De herinneringen kwamen altijd terug met Venors koele lippen op de mijne en zijn handen die zich in mijn lichaam groeven, alsof hij dorst had.
Ik stond op de veranda van zijn villa, die in een duistere stijl was ingericht en gedecoreerd, een elegante mix tussen barok en Dark Academia. De onderwereld was als de bovenwereld. Prachtig en vol wonderen, zij het veel vreemder. Ik staarde naar de zee van vergetelheid en luisterde naar de golven die door de lauwe wind naar mij werden gedragen. Zwart tekende het water zich af tegen de horizon, terwijl de golven als fonkelende sterren glinsterden en zacht het land kusten.
“Hoe lang wil je daar nog blijven staan en me aanstaren?”, zuchtte ik.
Ik draaide me om naar Venor, die me zwijgend een glas paarskleurige zielenwijn aanreikte. Hier in de onderwereld was dit de enige plek waar ik een lichamelijke vorm bezat en het was ook de enige plek waar ik kon eten, drinken en slapen. Alleen stelde niets daarvan me tevreden.
Venors blik bleef lang op mij gericht, voordat hij zijn glas in één teug leegdronk en naar mij toe kwam op de veranda. Zijn gebruinde huid vormde een mooi contrast met zijn lichte haar, dat in de wind bewoog.
“Totdat ik je weer moet laten gaan”, bromde hij donker.
Hij liet het glas in de lucht oplossen en streek een lok van mijn zwarte haar achter mijn oor.
“Ik ben moe, Venor. Ik wil rusten.”
“Dan had je mijn aanbod destijds nooit mogen aannemen, Jupiter.”
Die naam had ik al lang niet meer gehoord. En hij smaakte als een lang vergeten herinnering.
“Denk je dat het mij plezier doet? Je steeds weer te halen, alleen om je telkens weer te moeten laten gaan?”, siste hij gefrustreerd. De lauwe lucht om ons heen leek plots veel heter.
Alles wat onuitgesproken tussen ons hing, spande zich als een boog. Venor legde zijn hand tegen mijn wang, zijn ogen donker van het verlangen dat ik zelf maar al te goed kende. We waren simpelweg hopeloos.
“Je behoort mij toe. Sinds je mijn aanbod hebt aangenomen, behoor je mij toe”, herinnerde hij me. “Je ziel draagt mijn teken. Al honderden jaren, Jupiter.”
Met moeite slikte ik en wendde me van hem af. Ik bracht afstand tussen ons.
“En al honderden jaren is precies dat teken mijn vloek!”, siste ik.
Ik was moe. Steeds weer sterven was uitputtend – niet dat Venor enig idee had hoe dat voelde. Dat had hij namelijk niet.
Hij liet me de veranda verlaten en volgde me naar de woonkamer, waar ik aan zijn vleugel ging zitten en mijn vingers zacht over de toetsen liet glijden. Zijn aanwezigheid om me heen was zwaar en vol, als een goede, volle wijn waarvan je nooit genoeg kon krijgen. Ik had er genoeg van – en toch ook weer niet.
“Je wist waar je aan begon, cor meum.”
Hij legde zijn handen op mijn schouders. Ze gleden langs de zoom van de luchtige zomerjurk die ik droeg, naar beneden, en legden mijn huid bloot.
Ik huiverde.
Cor meum. Mijn hart.
Zuchtend sloot ik mijn ogen en leunde mijn hoofd tegen zijn borst.
“Ik haat je”, fluisterde ik.
“Dat doe je. Maar net zozeer als je me haat, houd je ook van me, Jupiter. Ik dacht dat we inmiddels op een punt waren waarop je dat kon toegeven.”
Venors lippen rustten op mijn rechterschouder en kusten zich omhoog naar mijn hals, waar hij mijn haar opzij schoof om mijn nek vrij te maken.
Verlangend gaf ik me over aan zijn aanrakingen. Ja. Ik hield net zoveel van hem als ik hem haatte. Ik was me volledig bewust van mijn tegenstrijdigheid.
“We zullen niet veel tijd hebben om onze eed te vernieuwen”, bromde hij tegen mijn huid en hij begon me te plagen door me met zachte beetjes te overladen, die de ene elektrische schok na de andere door me heen joegen.
Elke aanraking van Venor was doelbewust. Hij kende mijn lichaam, kende mij, van binnen en van buiten. En ook al hoefde hij niet te jagen, omdat iedereen vroeg of laat toch bij hem kwam, hield hij ervan mij in een hoek te drijven en volledig voor zichzelf te nemen, voordat hij me weer moest laten gaan.
“Venor”, zuchtte ik gelukzalig.
“Ja, mijn liefste?”
Mijn hart bonsde in mijn keel. Hitte verzamelde zich in mijn buik en schoot tussen mijn benen.
Ik slaagde erin me van hem los te duwen. Ik creëerde afstand tussen ons, terwijl het geluid van mijn blote voeten op de gepolijste zwarte marmeren vloer de stilte tussen ons verbrak.
Venor stond tegenover me als een wraakzuchtige god die naar een uitweg zocht, want dat was precies wat hij deed. Het lot was een waardeloze rechter en een nog slechtere beul.
Ik moest wel vervloekt zijn, dat elke stap die me van hem verwijderde pijn deed.
“Ik kan dit niet nog eens doen. Ik kan niet nog eens wedergeboren worden …”
In een zwakke poging mezelf te troosten, sloeg ik mijn armen om mezelf heen.
Venor had de afstand tussen ons in enkele elegante stappen overbrugd en legde zijn hand tegen mijn wang. Zijn indringende blik boorde zich in de mijne en weerspiegelde precies de pijn die me dreigde te overspoelen.
De pijn die ik zo graag wilde vergeten.
“Ik vind een manier. Dat heb ik je beloofd.”
“Al honderden keren. En toch eindigen we altijd weer op hetzelfde punt.”
“De lotsgodinnen zijn …”
“Wreed? Onuitstaanbaar? Wraakzuchtig?”, raadde ik met een droge lach.
Tranen brandden in mijn ogen als zuur en ik probeerde ze weg te knipperen met mijn lange wimpers, maar maakte het alleen maar erger. Venor ving een van hen op, bracht haar naar zijn lippen en liet de zoute smaak van bitterheid op zijn tong ontvouwen.
“Absoluut”, zei hij donker.
Gefrustreerd haalde hij zijn hand door zijn korte, asgrijze haar, dat hij naar achteren gekamd droeg.
“Ze willen jou niet straffen, maar mij. En geloof me, ik zou mijn zeis graag door hun goddelijke lichamen jagen.”
“Je bent de dood!”, wierp ik tegen en probeerde het trillen in mijn stem te onderdrukken.
Venors indringende blik gleed van mijn ogen naar mijn lippen en weer terug. De gekwelde uitdrukking op zijn gezicht deed mijn hart pijnlijk samentrekken. Het leek te schreeuwen: breek me alsjeblieft niet opnieuw.
“Zelfs goden moeten voor je knielen.”
“Dat doen ze. Meestal”, antwoordde hij nuchter.
Hij nam mijn gezicht in zijn handen. Hij kwam zo dichtbij dat ik de zoetzure smaak van zijn adem op mijn tong kon proeven. Appel en limoen, die samen dansten en zich vermengden tot iets onmiskenbaars dat me zwak maakte.
“Ik aanbid je”, fluisterde hij. “En ik vind een manier. Dat zweer ik je.”
Ik moest hem geloven. Want zijn woorden waren alles wat me nog gaande hield.
“Je bent van mij”, verklaarde hij in de volgende ademhaling.
“Zoals jij van mij bent”, antwoordde ik.
Mijn blik gleed weg van zijn verleidelijke lippen naar zijn ogen, waarvan de groenbruine irissen volledig werden opgeslokt door de duisternis van zijn woede.
Een klokslag doorbrak de zoemende stilte tussen ons, die elk moment dreigde te exploderen.
De tijd glipte weg.
Hoofdstuk 3
De tijd glipte weg. Die gedachte verdrong al het andere naar de achtergrond.
“Laat me vergeten. Al is het maar voor even. Ik smeek het je”, fluisterde ik, terwijl mijn duim zachtjes over zijn wang streek.
Pijn mengde zich met de woede in Venors ogen. Zijn handen gleden naar mijn taille en vanaf daar naar mijn heupen.
“Dit zal de laatste keer zijn, Jupiter. Dat beloof ik je. Ik zal je niet nog een keer verliezen. Ik laat niet toe dat ze je nog eens van me afnemen”, beloofde hij, voordat zijn lippen de mijne raakten.
Hij smaakte naar rook en regen. Naar een woeste zee die alles in haar woede verslond en vernietigde. Hij smaakte naar zonde en vuur, die hand in hand de afgrond tegemoet liepen.
Ik danste met zijn lippen, drukte mijn lichaam hongerig tegen het zijne en probeerde de klokslagen te negeren die in mijn bloed zoemden als een waarschuwing die nooit verstomde. Mijn handen klampten zich aan hem vast, volgden de contouren van zijn spieren toen ik ze onder zijn zwarte overhemd schoof.
Venor drukte me bezitterig tegen de dichtstbijzijnde muur. Hij schoof de rok van mijn jurk omhoog, totdat hij die over mijn hoofd trok en achteloos de kamer in gooide.
“Je bent zo prachtig”, snorde hij donker. Zijn stem was fluweel dat moeiteloos mijn zenuwen prikkelde.
Hij kuste mijn buik en liet zijn lippen naar mijn slipje glijden, dat hij met zijn tanden naar beneden trok.
Zijn baard schuurde aangenaam over mijn huid en ik genoot van zijn handen die bezitterig in mijn lichaam grepen. Ik kreunde, boog me naar hem toe en begroef mijn vingers in zijn volle haar om hem dichter naar mijn kern te trekken.
Ik voelde hoe hij tegen mijn verhitte huid grijnsde, terwijl zijn tong rond mijn clitoris cirkelde en haar met wisselende druk verwende.
“Zo goed. Ik heb je gemist. Heb je smaak gemist”, gromde hij.
Hij beet me zachtjes om me te plagen. Ik drukte me nog dichter tegen hem aan, hongerig naar meer dan hij me op dat moment gaf. De lucht om ons heen werd warmer, geladen met knetterende spanning. Mijn andere hand gleed naar mijn borst en speelde met mijn stijve tepel.
Venor likte me intens, dronk van me alsof ik zijn levenselixer was.
“Fuck”, kreunde ik hees terwijl ik hem aankeek.
“Je smaakt zo verdomd goed, cor meum.”
Hij kuste me net onder mijn buik en stond op, om zijn lippen opnieuw met de mijne te laten botsen. Ik proefde mezelf op hem en jammerde zacht in zijn mond, terwijl hij een vinger in me schoof en zijn erectie tegen me aandrukte.
Mijn verstand vergat de klokslagen. Vergat de tijd, die letterlijk als zand door onze vingers gleed. Op dit moment was er niets belangrijker dan hij en ik.
“Ik heb je nodig.”
Venor grijnsde. Hij trok zijn vingers uit me, die me zojuist tot waanzin hadden gebracht, en likte ze schoon, terwijl hij mijn blik gevangen hield.
Speels kantelde hij zijn hoofd, zijn hand gleed naar mijn nek en wikkelde mijn haar eromheen om mijn hoofd naar achteren te trekken. Niet pijnlijk, maar duidelijk. Dominant op een manier die me meteen deed bezwijken.
Gretig opende ik zijn riem en bevrijdde zijn opwinding die tegen zijn broek drukte. Voorvocht had zich al op de top verzameld en druppelde naar beneden.
“Als je me wilt, verdien het dan”, bromde hij.
Hij drukte zich tegen mijn gezicht, totdat ik hem bij de schacht vastpakte en de druppels van hem aflikte. De hitte in mijn buik zakte dieper. Ik voelde mijn opwinding langs de binnenkant van mijn dij naar beneden glijden.
Hongerig nam ik hem in mijn mond en omhulde hem met mijn tong, terwijl ik mijn hoofd langzaam naar voor en achter bewoog.
Venor smaakte niet naar wat ik als de dood zou omschrijven. Als er al iets was, smaakte hij naar puur leven. Kruidig. Intens. Heet.
Het lage gekreun dat uit zijn keel ontsnapte, joeg een rilling langs mijn ruggengraat en verspreidde zich als een lopend vuur door mijn lichaam.
Zijn andere hand legde zich op mijn hoofd en hij begon zich in mijn mond te bewegen. De hitte in mijn bloed dreigde me te overspoelen en vervaagde in knetterende extase.
Speels liet ik mijn tanden over hem glijden, wat een grom uit hem ontlokte en hem ertoe bracht zich uit mijn mond terug te trekken.
Venor wachtte niet tot ik vragen stelde. In plaats daarvan trok hij me overeind, draaide me om zodat mijn borst tegen de muur rustte en dwong mijn benen uit elkaar om me van achteren te nemen.
“Ik was bijna vergeten wat voor braaf meisje je voor me bent”, fluisterde hij in mijn oor.
Zijn tong gleed over mijn oorlel terwijl hij moeiteloos in me gleed, wat hem een donkere lach en een genotvolle zucht ontlokte.
“Shit. Je bent zo fucking nat en warm.”
Hij wachtte niet tot ik gewend was aan zijn grootte. Dat was niet zijn manier. Meteen begon hij te bewegen. Hard. In een ritme dat mijn knieën deed bezwijken.
Het klappen van huid op huid vermengde zich met ons beider gekreun en vulde de ruimte als een perfect gecomponeerde symfonie van genot.
Opnieuw kuste hij mijn nek. Aanbad mijn lichaam alsof ik een godin was, terwijl hij me tegelijk nam met een intensiteit die evenveel liefde als wanhoop droeg.
“Venor, fuck. Ik …”, jammerde ik, terwijl ik me tegen hem aandrukte.
“Ik weet het”, gromde hij.
Zijn bewegingen werden sneller, slordiger, maar verloren niets van hun kracht.
“Oh God”, hijgde ik.
Speels boorden zijn tanden zich in mijn hals. De pijn vermengde zich met de golf van mijn orgasme, die me onophoudelijk deed beven.
Venor drukte me tegen de muur, ondersteunde me met zijn lichaam en kwam diep in mij. De hernieuwing van onze eed gloeide door mijn lichaam en weerspiegelde zich in zijn koortsige blik.
“Ik hou van je”, fluisterde hij.
De klokslagen klonken opnieuw. Luider. Onverbiddelijker.
Venor haalde een natte doek en maakte me voorzichtig schoon, waarna hij me een nieuwe jurk gaf, net zo eenvoudig en wit als degene die ik eerder had gedragen.
Ik kon hem nog steeds in me voelen. Hard. Pulserend. Als een stille belofte die zich in mijn huid en mijn ziel had gebrand.
Het was tijd.
Ik kon niet langer blijven.
Hoofdstuk 4
We stonden voor de klokkentoren van de wedergeboorte. Honderden zielen hadden zich om ons heen verzameld en hielden afstand. Ze bekeken Venor angstig, alsof hij elk moment zijn zeis tevoorschijn kon halen om hen uit de lucht te scheuren en hun bestaan uit te wissen.
Zijn vingers waren met de mijne verstrengeld als knoestige, oude wortels die diep in de aarde reikten en nooit toelieten dat de boom die ze vasthielden werd ontworteld. Zo kon je ook onze zielenband beschrijven die ons aan elkaar vastknoopte. Hoe verward hij ook was, we vonden elkaar altijd terug.
Verlangend keek ik een eeuwigheid lang naar zijn gezicht. Ik wilde elk kleine detail in me opnemen, voordat ik door de torenklok moest gaan en alles opnieuw zou vergeten, totdat hij me weer kwam halen.
“Is het vreemd dat ik nog steeds bang ben?”, vroeg ik hem.
Ik zag hoe een ziel door de torenklok stapte, waarna een gouden licht omhoog schoot en de met mist bedekte hemel openspleet. Er was niets om ons heen behalve schaduwen, mist en de klokkentoren van de wedergeboorte, gebouwd in barokstijl. De torens reikten hoog de hemel in, terwijl het gebouw zelf op een kathedraal leek, alsof het elk moment tot leven kon komen.
“Het zal de laatste keer zijn”, verzekerde hij me, terwijl hij zijn greep om mijn hand verstevigde.
Ik knikte en legde mijn hoofd tegen zijn bovenarm.
“Ik zou de wereld voor je in brand steken, alleen om je te kunnen zien in de gloed van de vlammen”, verklaarde hij. “En dat zal ik doen, Jupiter. Zodat deze farce eindelijk eindigt.”
Ik wilde hem geloven. Want iets in zijn blik was pure, koppige vastberadenheid. En ik wist beter dan de vastberadenheid en woede van een god uit te dagen. De lotsgodinnen zouden dat misschien ook moeten weten. Misschien wisten ze het. Waarschijnlijk kon het ze niets schelen.
“Het wordt tijd dat je het lot trotseert. Zelfs goden kunnen sterven”, antwoordde ik.
Ik slikte zwaar toen opnieuw een ziel door de torenklok verdween en de hemel weer door gouden licht werd gespleten.
“Ik haat je”, snikte ik. Mijn hart fladderde rusteloos in mijn borst en voelde tegelijk zo zwaar als lood, alsof het mijn longen samenperste. “Ik haat je omdat ik van jou ben.”
“Ik aanbid je, juist daarom”, glimlachte hij droevig.
Weer verdween een ziel. Ik zou snel aan de beurt zijn. En ik was er niet klaar voor. Helemaal niet. Waarom konden we niet meer tijd samen krijgen?
“Ik ben net aangekomen en word alweer weggerukt”, zei ik, terwijl haat mijn stem bitter maakte en op mijn tong lag als rot vlees.
“Ik vind je weer”, zwoer hij.
“Je vindt me altijd.”
“Ik heb er tot op vandaag geen spijt van”, zei hij zacht. “Dat ik jouw hart en ziel aan mij heb gebonden, Jupiter.”
Daar kon ik niets tegenin brengen.
Nog een ziel verdween.
Tranen stroomden over mijn wangen als een waterval. Te veel emoties tegelijk trokken door me heen en hielden me in hun greep. Woede. Haat. Wanhoop. Verdriet. En een diepe, intense verbondenheid. Het was een wals van pure emotionele marteling waaraan ik niet kon ontsnappen.
“We zien elkaar weer wanneer ik opnieuw op de drempel sta, Venor.”
“Ik kom je halen. Je kunt niet aan me ontsnappen, Jupiter.”
Nog één keer regenden zijn lippen op de mijne neer. Nog één keer vroeg zijn tong om toegang, die ik hem onmiddellijk gaf, om zijn smaak in me op te nemen en zijn adem te stelen. Ik wilde dat dit moment eeuwig duurde. Wilde in hem verdwijnen.
Venor liet mijn hand los.
Lang bleef zijn blik in de mijne gebrand.
Met elke stap die ik richting de toren zette, werd het moeilijker om verder te gaan. De lucht om me heen werd dikker en ijziger. Een kou die zich in mijn huid klauwde en tot in mijn botten kroop.
Venors warmte werd door haar verdreven, en onze eed was het enige wat de leegte vulde die zijn afwezigheid in mij achterliet. Onze band, hoezeer ik hem ook haatte, was het enige wat mijn hart in elk leven ervan weerhield volledig te breken.
Maar ze verdreef de kou niet die elke wedergeboorte met zich meebracht.
Het licht dat ik zag, was geen licht aan het einde van een tunnel. Het was het licht van een bliksemschicht, vlak voordat mijn nieuwe, kleine hart begon te kloppen, mijn nieuwe longen zich plots met lucht vulden en mijn ziel in een nieuw lichaam werd gedwongen.
Maar deze keer was het anders.
Deze keer voelde ik hem nog steeds in mij.
Deze keer begeleidde de dood de wedergeboorte van mijn ziel naar de aardse wereld. Hij waakte erover dat ik het me herinnerde. Dat ik niet opnieuw vergat. Dat hij de lotsgodinnen op hun knieën zou dwingen.
Ik zag hem niet toen de artsen me schoonmaakten, mijn vitale functies controleerden en mijn nieuwe ouders vertelden dat alles in orde was.
Maar ik voelde hem in mijn hartslag. In mijn adem. In mijn eerste schreeuw die door mijn longen trilde.
Venor zou zijn belofte nakomen en de goden berechten die ons voor onze wederzijdse begeerte hadden gestraft.
De dood wacht niet. Hij jaagt niet. Normaal gesproken.
Maar nu jaagde hij.
Nu wachtte hij niet langer om terug te nemen wat hem allang toebehoorde.
En hij zou alles en iedereen verbranden die het waagde hem in de weg te staan.



